China’s neokolonialisme / De Groene Amsterdammer


Column Buitenland

China’s neokolonialisme
door Jan van der Putten

Vroeger hadden we een simpel antwoord op de vraag waarom de arme landen arm waren: de mensen daar waren gewoon te lui om te werken. Ze lagen liever in een eeuwige siësta onder de bananenboom. Medio vorige eeuw begon het te dagen dat die armoede misschien een structurele oorzaak had. We begonnen te geloven dat onderontwikkelde landen altijd onderontwikkeld zouden blijven. Ze waren immers overgeleverd aan de rijke landen, en uit die afhankelijkheid en genadeloze uitbuiting zouden ze nooit meer kunnen ontsnappen.

Die dependencia-theorie liep stuk op de Aziatische Tijgers. Hongkong, Singapore, Zuid-Korea en Taiwan zeiden als eerste de armoede vaarwel en werkten zich op tot grote welstand. Daarna meldden zich de reuzen Brazilië, Rusland, India en China. Goldman Sachs-econoom Jim O’Neill verzon voor hen de term BRIC, waaraan later de S van South Africa werd vastgeplakt. De groei van de BRICS-landen, goed voor 43 procent van de wereldbevolking, zou niet meer te stuiten zijn. Nog even, en ze zouden de rest van de wereld op sleeptouw nemen. Het Westen had afgedaan, het Zuiden en Oosten zouden de macht overnemen, een nieuw tijdperk in de mondiale machtsverhoudingen zou aanbreken. Dat is nu inderdaad aan het gebeuren, maar wel heel anders dan in de tijd van de BRICS-hype werd verwacht.

De wereld heeft even geloofd dat de BRICS-club het helemaal zou gaan maken. In de eerste jaren kwam dankzij een mondiale hausse het geld inderdaad bij bakken binnen. Brazilië exporteerde soja en ijzer, Rusland olie en gas, Zuid-Afrika metalen en mineralen. China, en in mindere mate India, importeerde uit alle hoeken van de wereld grondstoffen en halffabrikaten en overstroomde de wereld met goedkope producten. Het aandeel van de BRICS-landen in de wereldeconomie steeg in tien jaar van twaalf tot 23 procent. Toen de Amerikaanse en Europese banken de wereld in een financiële crisis stortten leek de definitieve doorbraak van de BRICS gekomen.

Als je de win-win-retoriek laat voor wat ze is, zie je iets heel anders
Het tegendeel gebeurde. De wereld is niet door de BRICS op sleeptouw genomen. De BRICS zelf is op sleeptouw genomen door zijn dominante lidstaat China.

Een hechte club is de BRICS nooit geweest. De clubleden verschillen politiek en economisch enorm van elkaar, en de twee grootste leden, China en India, zijn niet alleen elkaars concurrenten maar ook elkaars vijanden. Ze hebben net de gevaarlijkste militaire confrontatie sinds de oorlog van 1962 achter de rug. Behalve een investeringsbank heeft de samenwerking dan ook weinig substantieels opgeleverd. De explosieve groei van de BRICS-economieën kwam vooral ten goede aan China. Toen door de financiële crisis in het Westen de Chinese export inzakte barstte de grondstoffen-zeepbel en raakten drie van de vijf BRICS-landen in recessie. Dat kwam vooral doordat hun economie afhankelijk was gebleven van hun grondstoffen. Vroeger was het rijke Westen hun grootste klant, daarna werd het hun BRICS-genoot China. Hetzelfde geldt voor veel landen in wat vroeger de Derde Wereld heette. De afnemer is veranderd, de afhankelijkheid gebleven.

De laatste BRICS-top, eerder deze maand in Xiamen, werd in de pers weggedrukt door de jongste Noord-Koreaanse atoomproef. Door die provocatie van Kim Jong-un kwam de boodschap van de Chinese leider Xi Jinping op de BRICS-conferentie niet goed over het voetlicht. De groep wacht volgens hem een nieuw ‘gouden decennium’ als er meer wordt samengewerkt. Dan worden de opkomende economieën sterk genoeg om een ‘rechtvaardiger en billijker internationale orde’ te creëren. De muren van het protectionisme moeten worden geslecht door vrijhandel en globalisering. Xi bedo