Waar blijft de staatsgreep? / De Groene Amsterdammer


Column Buitenland
Waar blijft de staatsgreep?
door Jan van der Putten

Als Amerika een staatsgreeptraditie had gekend, zou een president die het zo bont maakt als Trump al lang door het leger aan de dijk zijn gezet. De militaire interventie beperkt zich echter tot de bestrijding van de hanengevechten in het Witte Huis door een team van gepensioneerde generaals. Maar op de agressiefste haan, Donald Trump, hebben ze geen vat. Een apocalyptische uitspraak van admiraal Scott Swift moet de president als muziek in de oren hebben geklonken: ‘Als Trump het zou vragen, dan zouden we volgende week een kernbom op China gooien.’ Swift is de hoogste chef van de Pacific Fleet. Deze megavloot moet in het zeegebied tussen de Amerikaanse westkust en de Indische Oceaan de expansie van China inperken.

Als rechtgeaarde militair kan Swift een bevel van zijn opperbevelhebber niet naast zich neerleggen. Bevel is bevel, hoe monsterlijk het ook mag zijn. Natuurlijk, het gaat om een hypothetisch geval, maar een militaire coup hoeft Trump niet te vrezen. Met dank aan dezelfde rule of law waar hij voortdurend tegen aanschopt. Een coup is niet nodig dankzij het checks and balances-systeem en het militair-industrieel complex. Dit informele bondgenootschap tussen de militaire leiders en de wapenindustrie is immers nog altijd een van de machtigste spelers in Amerika’s deep state. De gekozen politieke leiders komen en gaan, het militair-industrieel complex blijft. Linkse samenzweringstheorie? De term is ontsproten aan het allerminst linkse brein van een vijfsterrengeneraal, president Eisenhower.

Staatsgrepen raken uit de mode. De laatste grote coup was die van Sisi in Egypte. In West-Europa bracht de Tweede Wereldoorlog de dictatuur als staatsvorm volkomen in diskrediet. Alleen in Griekenland meende een groepje kolonels de politieke chaos met een coup op te lossen. Zeven jaar later, in 1974, dropen ze met de staart tussen de benen af. Even tevoren had de Anjerrevolutie een eind gemaakt aan de fascistische dictatuur in Portugal, en het jaar daarop stierf generalissimo Franco. In 1970 mislukte in het roerige Italië een knullige putsch van de neofascistische prins Junio Valerio Borghese. Eén keer ging een linkse staatsgreep niet door. Dat was in Frankrijk in 1968, toen in het heetst van de meirevolte de staat op instorten stond en de communistische partij de macht voor het grijpen had. President De Gaulle stak daar, met de steun van Moskou, een stokje voor. Voor de zekerheid had hij zich eerst van de trouw van het Franse leger vergewist.

‘Geef me een balkon en ik word president’
Voor staatsgrepen moet je vanouds in Latijns-Amerika en Afrika zijn. Hun koloniale verleden is daar zwaar debet aan. Met bijna tweehonderd coups sinds zijn onafhankelijkheid is Bolivia wereldrecordhouder. Een aspirant-putschist peilde vaak eerst telefonisch de andere commandanten. Zodra hij voldoende troepen bij elkaar had gebeld, pakte hij de macht. In Ecuador werd José María Velasco Ibarra tussen de jaren dertig en zeventig van de vorige eeuw vijf maal tot president gekozen en vier keer afgezet. Van hem is het gevleugelde woord: ‘Geef me een balkon en ik word president.’

Tijdens de Koude Oorlog maakte de operette plaats voor grimmig drama toen in de meeste Latijns-Amerikaanse landen na bloedige staatsgrepen fel anticommunistische dictaturen van nationale veiligheid werden gevestigd. Na de val van de Muur viel hun bestaansreden weg. Gekozen neoliberale regimes kwamen er meestal voor in de plaats. Ook die mislukten, waardoor rond de eeuwwisseling het populisme de wind in de zeilen kreeg, net als nu in Europa. De militairen hadden hun lesje geleerd en bleven in de coulissen. In Venezuela faalde een couppoging van kolonel Chávez, maar verkiezingen