Introductie van '40 jaar, 40 verhalen: Chileense vluchtelingen en solidariteit'


OLAA | ISBN 9789070678005 | Ingebonden | 192 p. | 2013 | € 25,00 (bestellen op http://www.chili40jaar.nl/index.php?r=site/page&view=boek)

In Chili verscheen in 2015 de Spaanse vertaling van dit boek: '40 años, 40 historias'. Mijn introductie kreeg de titel 'Sobre exiliados y políticos que cumplieron con su deber'.


INTRODUCTIE

Over vluchtelingen en politici die hun plicht deden
Jan van der Putten

Vluchteling word je niet voor je plezier. Mensen die vervolgd, opgejaagd en vaak ook lijfelijk mishandeld zijn, mogen in het land waarheen ze zijn gevlucht begrip en een decente behandeling verwachten. Het laatste waarop ze zitten te wachten is een nieuwe vernedering. En toch is dat tegenwoordig een courante behandeling, ook in Nederland. Dat gebeurt vaak in naam van de strijd tegen oplichters of terroristen of in naam van onze eigen economische crisis. Ik vrees dat de echte motieven meer te maken hebben met bureaucratie, provincialisme en regelrechte xenofobie. De Chileense refugiados die in dit boek aan het woord komen en de Nederlanders die zich voor hen hebben ingezet, halen herinneringen op uit voor vluchtelingen betere tijden.
De solidaire tijdgeest van toen had een navenante regering opgeleverd. De toenmalige premier Den Uyl en de minister van Ontwikkelingssamenwerking Pronk zaten nog in de oppositie toen ik ze in 1972 in Santiago ontmoette tijdens de derde UNCTAD. We hadden bij ons thuis lange discussies over de beste manier om de onderontwikkeling te overwinnen. Eind september 1973 zag ik Den Uyl terug in Nederland. Een paar uur eerder was ik met het eerste KLM-vliegtuig dat sinds de staatsgreep naar Santiago was gevlogen, aangekomen in Amsterdam. Ik was een van de eerste ‘Chileense’ Nederlanders die via de ambassade hadden kunnen wegkomen. De ochtend na mijn aankomst – ik sliep in het huis van mijn ouders – stond Den Uyl voor de deur. De premier kwam zich informeren over de nieuwe situatie in Chili.
Niet dat ik na de coup direct naar de ambassade was gerend. Ik heb geprobeerd verslag te doen van het Chileense drama zolang als het ging. Maar het ging steeds minder. Kogels joegen ons weg uit onze flat, vrienden werden opgepakt, Koos Koster en onze andere vroegere huisgenoten werden afgevoerd naar het Nationale Stadion, en ikzelf bleek op een zwarte juntalijst te staan van onwelkome journalisten. Ambassaderaad Hoytink liet me weten dat we beter naar de ambassade konden gaan als ons leven ons lief was. Met hangende pootjes hebben we dat gedaan. Hoytink sprak van aanhoudende bijltjesdagen en maakte vergelijkingen met de naziterreur. Hij heeft in die eerste weken na de coup enorm zijn nek uitgestoken. Dat de Nederlanders die in het Nationale Stadion werden vastgehouden relatief snel zijn vrijgekomen, was vooral aan hem te danken. Omdat hij geen formalist was, bracht hij ook de geëngageerde priester Gerard ‘Santiago’ Thijssen, die kort tevoren de Chileense nationaliteit had aangenomen, in veiligheid.
We hebben een week machteloos doorgebracht in de residentie van ambassadeur Goedhart. Die was tijdens de staatsgreep niet in Chili, en het duurde even voordat hij terug kon. Na een autorit door het centrum van Santiago concludeerde hij dat de militairen het uitstekend hadden gedaan. Dat Goedhart geen vriend was van Allende en Den Uyl, was me al bekend. Het was de tijd dat het ambassadeurschap vaak nog een soort erfelijk ambt was. In dat gilde waren de dubbele namen oververtegenwoordigd en progressieve opvattingen schaars. Andere mensen op de ambassade verzekerden me dat Allende ook niet zo’n lieverdje was geweest. Gelukkig was er Hoytink. En gelukkig