Chinese tekens: Woorden Vooraf


China is fascinerend om alles wat er verandert. Het is nog fascinerender om alles wat desondanks hetzelfde blijft. Maar het meest fascinerend vind ik de wisselwerking tussen oud en nieuw. Achter China’s mondiale doorbraak gaan immers een paar duizend jaar geschiedenis schuil, en die laat zich minder gemakkelijk afbreken dan de oude steden van het Hemelse Rijk. Die spanning levert vaak bizarre contrasten op.

Contrasten in het klein. Een boer die voor het eerst in een vliegtuig zat, probeerde op tienduizend meter hoogte de deur open te maken om zijn fluim kwijt te kunnen. Het telraam blijft in gebruik om de uitkomst van elektronische rekenmachines te verifiëren. In een modern restaurant in Pekings splinternieuwe Central Business District zag ik een dienstertje haar tanden gebruiken om een plastic zakje met slasaus open te krijgen. China’s middenklasse heeft de Schotse whisky ontdekt, maar lengt deze nieuwerwetse drink graag aan met ouderwetse Chinese thee. Half China leert Engels, maar slechts een fractie durft het te spreken vanwege de oer-Chinese angst om fouten te maken en daarmee je gezicht te verliezen.

Maar ook contrasten in het groot. Gokken is nog altijd strikt verboden, maar nergens wordt het met zo veel passie bedreven als in China, waar de autonome stad Macau Las Vegas heeft verdrongen als gokhoofdstad van de wereld. Officieel is de communistische partij nog altijd atheïstisch, maar de hoogste partijleider is tevens de opperpriester van alle in China toegestane godsdiensten, en ik zou het gestaalde kader niet graag de kost willen geven dat het heil eerder van een god of een geest dan van de partijleider verwacht. De partij heeft met daverend succes de markteconomie omhelsd, maar blijft tegelijk trouw aan haar aartsvader, de gezworen antikapitalist Mao Zedong.

Het China van nu is een dynamische, paradoxale en vaak schizofrene mix van antiek en modern, traditie en vernieuwing, Marx en markt, arm en rijk, Oost en West, collectivisme en individualisme, dit alles onder leiding van een communistisch regime dat het staatskapitalisme predikt en het particuliere bedrijfsleven een warm hart toedraagt. China lijkt onstuitbaar op te rukken naar de wereldtop, en tegelijk ziet het zich als een ontwikkelingsland. Een deel van de bevolking doet zich mateloos tegoed aan alle geneugten die de consumptiemaatschappij en de technologie te bieden hebben, een ander deel wordt uitgezogen tot het bot. Sommigen hebben voor zichzelf kopieën van het Witte Huis of het Capitool laten bouwen, anderen hebben, net als al hun voorouders, geen plek om dood neer te vallen. Decadente hedonisten buitelen over Spartaanse puriteinen, BMW’s botsen – soms ook letterlijk – op ossenkarren, postmoderne shopping malls rijzen op uit een ouderwetse gribus, en honden worden door sommige Chinezen gekoesterd en door andere opgegeten.

In deze chaos vallen bepaalde verschijnselen direct op. Iedere geïnteresseerde bezoeker van China zal deze Chinese tekens herkennen. Op het eerste gezicht lijken het uitroeptekens: De Chinezen zijn massamensen! Ze verstoppen hun gevoel! Het zijn dierenbeulen! Wat zie je toch weinig kinderen daar! Vraagtekens zijn echter meer op hun plaats. Zijn de Chinezen wel de massamensen die ze lijken? Hoe komt het dat ze vaak zo moeilijk met hun gevoel overweg kunnen? Vanwaar hun panische angst om hun gezicht te verliezen? Waarom gedragen ze zich zo anarchistisch in het verkeer? Waar hebben ze die extreme dieronvriendelijkheid toch vandaan? Hun paradoxale verhouding met Mao Zedong, hoe is die te verklaren? En het draconische éénkindbeleid, wordt het onderhand niet tijd om dat af te schaffen? Chinese tekens licht die vragen toe en doet een poging de tekens te verklaren.

Wie het over China heeft, bedoelt meestal dat gedeelte van China waar de grens van de ontwikkeling de hemel lijkt te zijn. Het gaat dan vooral over de metropolen aan de oost- en zuidkust en een paar grote steden in het binnenland. De rest van het land is ver bij die voorposten achtergebleven. De kloof tussen rijk en arm is immens. En toch zou hij nog veel groter zijn geweest als de regerende communistische partij niet een prestatie had geleverd waarvan westerlingen vaak geen weet hebben of geen weet willen hebben: ze heeft 400 miljoen mensen uit een staat van mensonterende armoede getild. Een dergelijke operatie op zo’n grote schaal in zo korte tijd is absoluut uniek in de geschiedenis. Het neemt niet weg dat zo’n miljard Chinezen toeschouwer zijn van een copernicaanse omwenteling waaraan ze geen deel heben. Of, beter gezegd, waaraan ze wel degelijk deel hebben, maar dan voornamelijk in de rol van uitvoerder en slachtoffer.

De omhelzing van de markt heeft miljoenen boeren geen geluk gebracht. Behalve het gratis onderwijs en de gratis gezondheidszorg zijn ze vaak ook hun kinderen kwijtgeraakt, die van huis zijn weggetrokken op zoek naar werk en hoop. Het zijn deze migranten die de moderne steden hebben gebouwd, zij zijn het die de fabrieken en werkplaatsen bemannen en bevrouwen, zij houden met hun arbeid de dienstensector draaiende. De pogingen van de centrale regering om de armen wat minder arm te maken hebben vooralsnog, volgens cijfers van de regering zelf, geen resultaat gehad. Misschien is dit een voorbijgaand verschijnsel en zal ooit een welvarend, minder gepolariseerd China terugkijken op de huidige tijd op de manier waarop het Westen terugblikt op het – in sociaal opzicht – minstens even schandelijke begin van zijn eigen industriële revolutie. Maar voordat China als lagelonenland ophoudt te bestaan en de Dickensiaanse uitbuiting van het werkvolk tot het verleden behoort, zal Copernicus opnieuw moeten worden ingezet.

China’s spectaculaire transformatie dringt zich op aan het oog. Kijk naar de mensen in de steden: de magere scharminkels van weleer gaan tegenwoordig weldoorvoed door het leven. Het voormalige land van de honger is de op twee na grootste voedseldonor van de wereld geworden en houdt met zijn voedselhulp de uitgemergelde Noord-Koreanen in leven. Markten en winkels puilen uit van het voedsel. Er worden vreetwedstrijden gehouden om uit te maken wie in de kortste tijd het meeste naar binnen kan werken.

Kijk om je heen: van het oude China lijkt, letterlijk, bijna geen steen meer op de andere te zijn gebleven. Oude binnensteden zijn vrijwel geheel afgebroken en vervangen door hoogbouw waarvan de sky de limit is. In een paar jaar tijd zijn uit het niets miljoenensteden uit de grond gestampt, die de skyline van Manhattan tot bescheidenheid dwingen. China wordt bezaaid met snelwegen, spoorlijnen, vliegvelden, stuwdammen, industrieterreinen, villaparken en golflinks. De fiets, lange tijd met de panda en de Chinese Muur een nationaal symbool, moet haar meerdere erkennen in de auto. In de steden voert niet meer de armoede maar overdaad de boventoon. En de economie dendert maar door en heeft zich tot nu toe van geen enkele rempoging iets aangetrokken.

Toch is lang niet alles ten offer gevallen aan deze seismische schokken. Maar dat is vaak minder gemakkelijk zichtbaar, want het heeft te maken met mentaliteit, opvattingen, gewoontes, smaken, verhoudingen tussen mensen, waarden en normen. Die laten zich meestal veel lastiger transformeren dan bijvoorbeeld een stuk land, een stad of een rivier. Nog nooit is een zo overrompelende skyline-symfonie gecomponeerd als die van Pudong-Shanghai, nog maar kort geleden een zompig terrein aan de overkant van de rivier ter hoogte van de Bund met haar westerse neoklassieke gebouwen. De Drieklovendam, een waterkrachtcentrale in de Yangtze die alle records slaat, is een even verbluffend als omstreden wereldwonder van de moderne tijd. De spoorlijn over het dak van de wereld naar de Tibetaanse hoofdstad Lhasa is een ode aan de meest geavanceerde ingenieurskunst. Toch is de bouw van deze megawerken een peulenschil in vergelijking tot de titanenarbeid die het zou vergen om de confucianistische, dus hiërarchische, relatie tussen de leraar en zijn leerlingen te moderniseren, om een kritische houding te ontwikkelen tegenover de overheid, om hardop onprettige waarheden te durven zeggen, of om gezichtsverlies te accepteren als iets dat nu eenmaal hoort bij het leven en het niet meer te zien als een dodelijke belediging.

Tijdens mijn eerste jaren in China werd ik vooral getroffen door de halsbrekende snelheid waarmee het land fysiek veranderde. Maar langzamerhand raakte ik er toch aan gewend. Ik kreeg steeds meer oog voor wat zich aan die veranderingen onttrok. Hoe vaker ik tegenwoordig in China terugkom, des te meer word ik gefrappeerd door wat er niet is veranderd of in min of meer aangepaste vorm is blijven voortbestaan. Aan de voet van splinternieuwe torenflats heerst vaak dezelfde gezellige drukte als in de dorpsachtige steegjes die er vroeger liepen. De Chinees achter een autostuur is dezelfde Chinees die gisteren nog op de fiets zat, en dat is aan zijn rijstijl te merken. Man en vrouw zijn sinds Mao aan de macht kwam gelijk, maar breng dat de mannen maar eens aan hun verstand.

Hoe langer je er bent, des te meer oog je krijgt voor het Eeuwige China. Nog altijd kan een Chinees moeilijk nee zeggen of onaangenaam nieuws melden. Een standje, een verwijt, een onaangename waarheid worden het liefst genegeerd, of anders verdraaid in eigen voordeel om het gezicht niet te verliezen. Veel Chinezen geloven nog altijd dat de mens is wat hij eet: potent als een tijger, sterk als een hond, slim als een aap, gezegend met een lang leven als een schildpad. In de steden rukken de expressobars en de fastfood-ketens op, maar de meeste Chinezen blijven hun thee trouw, en ook fastfood is het lekkerst als het uit Chinese ingrediënten bestaat. Oud bijgeloof heeft de stormloop van de modernisering met glans doorstaan.

De Chinese volksziel heeft zich gelukkig dus minder gemakkelijk aangepast aan de moderne tijd dan de communistische partij, die tot menige reuzenzwaai bereid is gebleken om de macht niet kwijt te raken. In 1978 maakte ze een U-bocht toen ze het kapitalisme binnenhaalde en daarmee zichzelf een nieuwe legitimatie gaf, in 2001 loodste ze communistisch China de kapitalistische Wereldhandelsorganisatie binnen, daarna omhelsde ze het gedachtegoed van de oude Confucius dat voor Mao nog de kwintessens van het vermaledijde feodalisme was geweest. Toch zit ook de partij vol met waarden, ideeën en gedragingen uit het verleden. In de lijn van de keizerlijke traditie ziet de partijleider zich als de strenge maar rechtvaardige vader van het Chinese volk. In diezelfde lijn denkt de partij dat ze onfeilbaar is en dat niets aan haar controle mag ontsnappen. Iedere organisatie, hoe apolitiek en onschuldig haar bedoelingen ook mogen zijn, moet daarom een officiële politieke sponsor hebben. Niets heeft degene te vrezen die bij de Hemelzoon – vroeger de keizer, tegenwoordig de partijleiders – in de gratie is.

Het wordt heel anders als deze staat van genade in ongenade verkeert. In een autoritaire samenleving is voor kritische geesten weinig ruimte, en geen enkele ruimte als de kritiek zich richt op de top. In China heeft in de keizertijd altijd een vertegenwoordiger van de hemel aan de top gestaan. Weliswaar hadden in de confucianistische traditie de intellectuelen de taak de keizer kritisch te volgen en hem op zijn fouten en tekortkomingen te wijzen, maar menig keizer heeft hun dat, om het eufemistisch uit te drukken, niet in dank afgenomen. Als vader van alle Chinezen versmolt de keizer met staat, natie, land en volk. Kritiek op de Hemelzoon was dus kritiek op heel China en alle Chinezen, en alleen weggelegd voor levensverachters. De keizer heet inmiddels geen keizer meer, en sinds Deng Xiaoping moet hij de heerschappij delen met andere partijleiders, maar nog altijd zijn hem slechts respect, applaus en gehoorzaamheid verschuldigd. Een cartoon waarin een partijleider op de hak wordt genomen, is in China dan ook ondenkbaar.

Gewone stervelingen hebben niets te maken met de samenzweringen en machtsstrijd in de hofkringen – vroeger de eunuchen, tegenwoordig de partijtop – en moeten geloven in de monolitische eenheid van de partij. Deze kent zichzelf, alweer zoals destijds de keizers, een absoluut gezag toe dat boven alles en iedereen staat, dus ook boven de wet die ze zelf heeft gemaakt. Op papier is de wet gelijk voor iedereen, maar nog altijd is ze niet bedoeld om de zwakken of de individuele burgers te beschermen, en nog altijd is het een stuk doeltreffender invloedrijke relaties dan de wet achter je te hebben. Wetten en regels zijn er voor anderen en zeker niet voor degenen die hun connecties met de machthebbers in ere houden. De officieel beleden bedoeling om van China een rechtsstaat te maken botst dan ook frontaal op twee obstakels. Het eerste is het principe dat de partij altijd gelijk heeft en daarom, als het haar uitkomt, het recht naar haar hand zet. Het tweede obstakel bestaat uit informele, maffia-achtige, door smeergeld geöliede relaties tussen gezagdragers en degenen die van hen iets gedaan willen krijgen.

De oude hiërarchische machtsverhoudingen zijn onverminderd intact gebleven. Ook een moderne mandarijn wordt nooit tegengesproken. Binnenskamers kan hij wel bij anderen te rade gaan, maar een openbaar debat over zaken die er toe doen, staat hij niet toe. Niemand vraagt er ook om, want democratische inspraak is een begrip dat in China verdacht veel weg heeft van chaos. Aan de rechtstreeks betrokkenen wordt dan ook niets gevraagd bij beslissingen over, bijvoorbeeld, de confiscatie van boerengrond of de bouw van een stuwdam. Nog altijd zijn de autoriteiten niet geïnteresseerd in de individuele burger, die ze behandelen als een onmondig kind, net als alle heersers vóór hen. Even oud is de confrontatie tussen de centrale regering en hoge lokale functionarissen, die instructies alleen uitvoeren als ze in hun kraam te pas komen. Hun neiging om macht via corruptie om te zetten in persoonlijke rijkdom lijkt sterker dan ze ooit geweest is. Er is immers nog nooit zo veel te halen geweest als nu. De eeuwenoude strijd tegen de corruptie staat nog altijd haaks op de eeuwenoude noodzaak om het systeem ge-olied te laten functioneren. Kortom, het nieuwe China mag dan een wereld van verschil zijn met het oude, het Eeuwige China is nog springlevend.

Chinese tekens heeft een onbehoorlijk lange voorgeschiedenis. Het was al gepland in de nadagen van de vorige eeuw, en toen had ik het eigenlijk ook direct moeten maken. Maar zaken die niet verschrikkelijk dringend zijn, worden gemakkelijk vooruitgeschoven. Dat betekende in de praktijk dat ik pas goed aan dit boek kon gaan werken nadat mijn correspondentschap in China geëindigd was. Tussen de activiteiten voor mijn kersverse bedrijf Eyes on China door vorderde het werk gestaag in de gestolen uurtjes, maar het einde was nog niet in zicht toen op een nacht in ons net gekochte Alkmaarse huis werd ingebroken. Er vloog een in een handdoek gewikkelde stoeptegel door het antieke buitenraam, het binnenraam werd weggedrukt en een grijpgrage hand griste bliksemsnel mijn laptop van mijn bureau. Slechts een snoertje bleef in het kapotte raam hangen als stille getuige. Op de computer bevond dit boek zich in statu nascendi. Het ergste dat een schrijver zich kan voorstellen, was gebeurd.

De buren waren onthutst: ze konden zich niet herinneren dat zoiets ooit eerder aan onze gracht was voorgekomen. Ik was onthutster. Ik had, driewerf stom, geen back-up gemaakt, niet alleen omdat mijn hoofd er niet naar had gestaan, maar ook omdat ik mentaal was blijven steken in het Nederland van mijn jeugd, toen er door de brievenbus nog een touwtje hing. Tegen beter weten in heb ik in een plaatselijke krant nog een advertentie gezet om de dief te smeken zijn buit terug te bezorgen. Chinese tekens is er, zij het met grote vertraging, toch gekomen. Ik maak me sterk dat het er beter op is geworden. Daarom ben ik heel even, met excuses aan Dominique, in de verleiding gekomen om het toch maar op te dragen aan die anonieme, grijpgrage computerdief.

Peking, april 2008




dinsdag 30 november 1999

Klik hier